Afbeelding invoegen
 
Geen neerslag van betekenis
 
Reciteren
 
Het was carnavalszaterdag en ik was onderweg. Geheel in mezelf gekeerd repeteerde ik een vers uit het gedicht Thuisvlucht van de op 1 februari overleden dichter Menno Wigman:
 
‘Maar ’s nachts begint het bier te spoken.
Dan roken er verkrachters bij het riet.
Dan schuimen er fanaten door de stad
en beeft het centrum van een dronkenschap
waar Bredero nooit weet van had.’ 
 
Wie nonchalant op gepaste momenten verzen reciteert suggereert belezenheid. Ik suggereer graag van alles, ook belezenheid.
Enfin, nog volop memoriserend werd ik bij de uitgang van het station meegezogen in een groep van pover tot rijk uitgedoste feestgangers. De minimalen hadden een geel-wit-rode sjaal omgeknoopt, de beter gekleden droegen daarbij een met emblemen volgeplakt zwart jasje. Verder sjokten er - volkomen overdressed volgens de lokale kledingvoorschriften - een konijnenpak, twee Buffalo Bills en een Tiroler echtpaar mee.
Ik keek om me heen. Was dit het uitgelezen moment voor een recitatief van Thuisvlucht? Ik twijfelde. Was het een gepaste tekst voor deze gelegenheid? Hoe zou dit publiek reageren? Ik koos voor een ander poëem en declameerde met verheven stem uit het werk van dichtersduo De Deurdouwers:
 
‘Het feest kan beginnen,
want wij zijn binnen,
we gaan er tegen aan.’
 
Laaiend enthousiast waren ze. In polonaise trokken we samen de Wilhelminabrug over, drie verzen lang, het konijnenpak voorop.