Afbeelding invoegen
 
Geen neerslag van betekenis
 
Dolce far niente
 
Waarom is het altijd één zwaluw die geen zomer maakt en niet één roodborstje?  Die vraag hield me bezig toen ik zondagochtend op het balkon de drank van de vorige avond verwerkte. Vreemde vraag. Ik had me ook het hoofd kunnen breken over waarom kleren de man maken en niet de vrouw. Kortom: het beloofde een lamlendige dag te worden, ontdaan van ieder dolce far niente, wel overschaduwd door een deprimerende doelloosheid en een zeurende hoofdpijn. Een dag om over te slaan.
Mijn vriendin had geen hoofdpijn, vroeg zich niets af en genoot van het lentezonnetje. Ze stelde voor om ’s middags iets te gaan drinken op het nieuwe terras bij café-brouwerij ‘Heren van Geluk'. Dat vooruitzicht gaf weer zin aan het leven.
Helaas, de terrassen zijn de terrassen niet meer. We belandden bij een open broedplaats vol valse gezelligheid en gedwongen samenzijn. Drie lange kaalgeschuurde tafels met daaraan hufterproof gemonteerde banken stonden in slagorde op de stoep voor het café annex brouwerij. Drie tafels, zo besteld uit de meubelcatalogus kampbarakken, jeugdherbergen en campings met kampvuur.
Aan iedere kant van een tafel konden met gemak 6 mensen zitten, 36 zitplaatsen bij elkaar en daaromheen een Atlanticwall van trendy bakfietsen. De bijbehorende generatie zat al aan tafel.
Bij zo’n tafel kun je niet gewoon aanschuiven, je moet je erin turnen. Eerst met een been over de bank, vervolgens het tweede been over het hoofd van de buurman of buurvrouw zwaaien en dan door de knieën zakken. Is het gelukt dan zit je tegenover een toevallige tronie die zegt: ‘Leuk hè, die banken, echt gezellig.’ Van jou wordt vervolgens verwacht dat je met wat lulpraat de conversatie gaande houdt. Voor die zondag was dat te veel gevraagd.
We liepen het terras voorbij, sloegen de hoek om en belandden op een old-school terras: rieten stoeltjes, kussentjes, tafeltjes met geruite kleedjes en vrolijke witgele parasols. Het zonnetje scheen, het woei niet. ‘Wat vind jij het lekkerste biertje?’ vroeg ik de jongen die bediende. Hij vond de Gouden Carolus het lekkerste. ‘Dan nemen we die’, zei ik. Even later gloorde in de Gouden Carolus een timide dolce far niente.